Zoek binnen de site

Wet Financieel Statuut Koninklijk Huis

De minister-president heeft op 13 juni 2008 een voorstel tot herziening van de Wet Financieel Statuut Koninklijk Huis aangeboden aan de Tweede Kamer. De nieuwe wet beoogt het Financieel Statuut op onderdelen technisch aan te passen, te actualiseren en daarmee toekomstbestendiger te maken. Het voorstel is op 3 juli 2008 met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer. De Eerste Kamer heeft het voorstel op 18 november 2008 met algemene stemmen aangenomen.

De vorige wet was op onderdelen verouderd en bevatte leemtes. Zo bevatte deze nog bepalingen over Prinses Juliana en Prins Bernhard en over Paleis Soestdijk. Daarnaast werden berekeningsformules gehanteerd die stammen uit begin jaren '70 en die niet goed hanteerbaar meer waren. Bovendien noemde de vorige wet geen bedragen voor de uitkering voor een afgetreden Koning en bevatte het geen voorzieningen voor weduwen en weduwnaars. De vorige wet verplichtte wel om dergelijke uitkeringen te verstrekken, maar liet de inhoud en bedragen open. Deze leemtes zijn nu rechtgezet.

De reikwijdte van de wet is ongewijzigd: er is geen uitbreiding van de kring van gerechtigden. De wet regelt de grondwettelijke uitkeringen. Die bestaan uit de zogeheten niet-declarabele kostenvergoedingen en inkomens die ter beschikking worden gesteld aan de Koning (en diens echtgenoot of echtgenote), de vermoedelijke opvolger van de Koning (en diens echtgenoot of echtgenote) en de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan (en diens echtgenoot of echtgenote). Overige leden van het Koninklijk Huis krijgen géén uitkering en dus ook geen inkomen op grond van deze wet.

De hoogte van de inkomens van Hare Majesteit de Koningin, Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins van Oranje en Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Máxima zijn ongewijzigd ten opzichte van de vorige wet. Ook de hoogte van de kostenvergoedingen aan de Koningin, de Prins van Oranje en Prinses Máxima zijn niet gewijzigd als gevolg van de nieuwe wet. Het geheel is dus per saldo budgettair neutraal.

In de nieuwe wet zijn de vergoedingen voor personeel en materiële kosten samengevoegd tot één vergoedingscomponent. Zie ook het overzicht van de gevolgen van de herziene wet voor de uitkeringen aan de leden van het Koninklijk Huis. De hoogte van de niet-declarabele kostenvergoedingen van de Prins van Oranje en Prinses Máxima samen zijn ongewijzigd. De declarabele kostenvergoeding van de Koningin daalt met ruim 643.000 euro, de niet-declarabele kostenvergoeding stijgt met hetzelfde bedrag. Het totaal aan niet-declarabele kosten, verschuivingen tussen niet-declarabele kosten en declarabele kosten en de inkomens wijzigt als gevolg van de nieuwe wet derhalve niet.

Wijzigingen

De belangrijkste wijzigingen in de Wet Financieel Statuut Koninklijk Huis zijn:

  1. De regeling met betrekking tot de uitkeringen, de periodieke aanpassing en de verdeling over de verschillende leden van het Koninklijk Huis zijn bij de tijd gebracht en het aantal zgn. componenten is teruggebracht van drie (A-, B-, en C-component) naar twee (A- en B-component).
    In de nieuwe wet wordt uitgegaan van één categorie vergoeding van personele en niet-personele kosten, aangeduid als B-compenent. De hoogte van het inkomen wordt niet aangepast. In de nieuwe wet wordt het inkomensbestanddeel aangeduid als A-component.
  2. Met het oog op de rechtzekerheid wordt in een enkele situatie duidelijkheid in de wet zelf verschaft over de hoogte van de uitkering. De nieuwe wet geeft vooraf duidelijkheid over de hoogte van de vergoeding nadat er afstand is gedaan van het Koninschap en in geval van overlijden.
  3. De nieuwe wet bevat een wettelijke basis voor de functionele uitgaven zoals die thans op verscheidene begrotingen van ministeries staan en waarvoor wordt voorgesteld dit vanaf 2010 met het oog op transparantie zoveel mogelijk op één begrotingsartikel op te nemen.
    Minister-president Balkenende heeft op 27 februari 2009 het rapport van de Stuurgroep herziening stelsel kosten Koninklijk Huis onder voorzitterschap van dr. G. Zalm aangeboden aan de Tweede Kamer.
    Op 6 maart 2009 heeft de minister-president in een kabinetsstandpunt aan de Tweede Kamer laten weten dat de ministerraad de aanbevelingen van de stuurgroep overneemt. 
  4. Het gebruik van paleizen wordt duidelijker omschreven. Paleis Noordeinde, paleis Huis ten Bosch en het paleis op de Dam te Amsterdam zijn aan de Koning tot gebruik ter beschikking gesteld. Het ligt in de rede dat genoemde paleizen ook in de toekomst aan de Koning ter beschikking gesteld zullen blijven.
  5. Artikelen die betrekking hebben op Prinses Juliana, Prins Bernhard en paleis Soestdijk zijn komen te vervallen. 

 

Wilt u meer informatie? Bekijk de volledige begroting 2010 op www.rijksbegroting.nl

Voor meer informatie zie ook: