Regentschap

Als de beoogde troonopvolger nog minderjarig is bij troonsafstand of overlijden van zijn voorganger, of als de vermoedelijke troonopvolger een ongeboren kind is of als een erfopvolger ontbreekt, dan oefent een regent tijdelijk het koninklijk gezag uit.

De regent regeert uit naam van het constitutionele staatshoofd totdat deze 18 jaar is.
Een regent wordt bij wet aangewezen. De Staten-Generaal besluiten hierover in een Verenigde Vergadering van de Staten-Generaal.

Als de Koning niet in staat is het koninklijk gezag langer uit te oefenen of tijdelijk heeft neergelegd, neemt volgens de Grondwet de beoogde troonopvolger het regentschap waar, mits deze de leeftijd van achttien jaar bereikt heeft. Als in de waarneming van het koninklijk gezag niet voorzien is, neemt de Raad van de State dit gezag tijdelijk waar totdat er een nieuwe Koning of regent benoemd is.    

In de geschiedenis van het Koninklijk Huis is maar een paar keer het koninklijk gezag waargenomen door een regentes. Koningin-regentes Emma was dat in 1890 toen haar echtgenoot Koning Willem III ernstig ziek was en na zijn overlijden was zij dat acht jaar lang voor haar dochter Koningin Wilhelmina. In 1947 en 1948 legde Koningin Wilhelmina wegens vermoeidheid tijdelijk het koninklijk gezag neer, haar dochter Prinses Juliana trad toen op als regentes. De Raad van State heeft het koninklijk gezag alleen waargenomen toen Koning Willem III in 1889 en 1890 wegens ziekte buiten staat verklaard was te regeren.