Koninklijke Erepenning

De Koninklijke Erepenning is een ereteken dat kan worden verleend aan verenigingen, stichtingen of instellingen dan wel aan sportverenigingen. Het symboliseert het respect en de waardering die de Koning heeft voor bijzondere verdiensten van de ontvanger.

Alleen de Koning kan de Erepenning toekennen, welke strikt op naam van de ontvangende instantie is. De begiftigde vereniging heeft het recht op briefpapier of gedrukte stukken van de onderscheiding in woord en/of beeld melding te maken.

Aanvraagprocedure

De aanvraag van de Koninklijke Erepenning dient te geschieden via de burgemeester van de statutaire vestigingsplaats. De burgemeester verifieert of de gewenste gegevens ter ondersteuning van de aanvraag zijn bijgevoegd. De registers van de Justitiële Documentatiedienst worden hiervoor geraadpleegd. De aanvraag wordt, voorzien van het advies van de burgemeester, aangeboden aan de Commissaris van de Koning in de betreffende provincie ter doorgeleiding naar de Koning. Te gelegener tijd bericht de Commissaris van de Koning de aanvrager over de beslissing van de Koning.

Aanvraag

De aanvraag moet worden voorzien van een goede onderbouwing waarbij
onderstaande elementen gelden als richtlijn.

  • De Erepenning wordt slechts verleend ter gelegenheid van de viering van het 50-jarig bestaan of een volgend meervoud van 25 jaar van de vereniging of instelling.
  • Een aanvraag zal voorzien moeten zijn van een direct bewijs van de oprichtingsdatum, maar bij voldoende onderbouwing kan in bijzondere gevallen een indirect bewijs volstaan. Ook zal een gezonde financiële positie moeten worden aangetoond.
  • De activiteiten van de vereniging of instelling moeten zijn van filantropische, wetenschappelijke, culturele of maatschappelijke aard, dan wel liggen op het gebied van sport.
  • De vereniging of instelling mag niet ten doel hebben de verbreiding van politieke, commerciële, religieuze of levensbeschouwelijke opvattingen.
  • De vereniging of instelling dient geen bond of overkoepeling van meerdere individuele verenigingen of instellingen te zijn.
  • De vereniging of instelling moet wat betreft aard, omvang en soliditeit in aanzien staan en dient tussen soortgelijke gemeentelijke, regionale of landelijke verenigingen een algemeen erkende plaats in te nemen. De vereniging of instelling moet zich bovendien op haar terrein hebben onderscheiden.
  • Zowel de vereniging of instelling als de bestuursleden moeten te goeder naam en faam bekend staan en van onbesproken gedrag zijn.