Oorsprong en geschiedenis

Prinsjesdag was oorspronkelijk de benaming van de verjaardag van Stadhouder Prins Willem V (1748-1806) op 8 maart.

In die tijd, de Patriottische tijd, was Prinsjesdag een van de populairste volksfeesten in ons land. Mensen grepen de gelegenheid aan om hun Oranjegezindheid te laten zien.

Prinsjesdag 1902

Vervolgens werd de naam Prinsjesdag gebruikt voor feestelijkheden rondom een lid van het Koninklijk Huis. Vanaf de jaren 1930 werd het gebruikelijk de jaarlijkse openingsdag van de Staten-Generaal Prinsjesdag te noemen.
Bij de Grondwetswijziging van 1983 werd de zittingsduur van de Staten-Generaal gewijzigd van één jaar naar vier jaar. Vanaf dat jaar wordt op Prinsjesdag dus niet meer de zitting van de Eerste en Tweede Kamer officieel geopend, maar wordt met het uitspreken van de Troonrede het begin van het nieuwe parlementaire jaar gemarkeerd.

Derde dinsdag in september

In de Grondwet staat op welke dag Prinsjesdag valt. Toch was dat niet altijd de derde dinsdag van september. In de 19e eeuw viel de opening van de Staten-Generaal eerst op de eerste maandag in november en later op de derde maandag in oktober.
In 1848 werd een jaarlijkse begroting ingevoerd. Om de Kamer meer tijd te geven voor de behandeling, werd de opening van de Staten-Generaal vervroegd naar de derde maandag in september.

Een grondwetswijziging in 1887 verplaatste Prinsjesdag van maandag naar dinsdag. Kamerleden die wat verder weg van Den Haag woonden, hoefden dan niet meer op zondag te reizen om op tijd bij de opening te zijn.