Gouden Koets
De Gouden Koets is een geschenk van de inwoners van Amsterdam aan Koningin Wilhelmina ter ere van haar inhuldiging. Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik maakten op hun huwelijksdag, 7 februari 1901, voor het eerst van de Gouden Koets gebruik.
De Gouden Koets is daarna ook ingezet bij de huwelijken van Prinses Juliana en Prins Bernhard (1937), Prinses Beatrix en Prins Claus (1966), Prins Willem-Alexander en Prinses Máxima (2002). Ook werd hij gebruikt bij de doop van Prinses Juliana (1909) en de doop van Prinses Beatrix (1938). Met uitzondering van speciale gelegenheden is de Gouden Koets sinds 1903 slechts een keer per jaar, op Prinsjesdag, te zien.
Geschiedenis
Op 7 september 1898 aanvaardde de jonge Koningin Wilhelmina als inhuldigingsgeschenk van de Amsterdamse burgerij een bijzondere staatsiekaros, de Gouden Koets. Voor het schenkingscomité was het een probleem dat Koningin Wilhelmina vóór haar inhuldiging te kennen had gegeven dat zij ter ere van deze gebeurtenis geen geschenken zou aannemen. Pas nadat veel brieven en telegrammen verstuurd waren en er heel wat afgepraat was in vergaderingen, besloot de Koningin de koets toch te aanvaarden: niet tijdens de inhuldigingsfeesten, maar op een nader te bepalen tijdstip. Deze nader te bepalen datum werd de dag na de inhuldiging, 7 september 1898.
Constructie
Het bouwen van de koets stelde hoge eisen aan het vakmanschap
van ontwerpers en constructeurs. In Amsterdam was in die tijd veel
kennis op het gebied van rijtuigbouw aanwezig. De opdracht voor de
bouw van de Gouden Koets ging naar de firma Spijker, later ook
bekend om zijn automobielen.
Voor de bouw van de koets moest een groot aantal problemen worden
overwonnen. De koets moest zo gemaakt worden, dat de Koningin haar
volk, en het volk zijn Koningin goed kon zien. Ook moest de koets
zo hoog worden dat zij er rechtop in kon staan. De koets mocht
echter ook weer niet te kolossaal worden, want het moest door
smalle, niet al te hoge poorten kunnen, zoals die op het Binnenhof
in Den Haag.
Bij hun ontwerp gingen de gebroeders Spijker uit van het
staatsierijtuig zoals dat in de negentiende eeuw veel voorkwam. Wel
werden de laatste snufjes op het gebied van de rijtuigbouw
toegepast. Zo kreeg de koets massief rubberen wielbanden en
elektrische verlichting.
Materialen
De naam van de Gouden Koets is enigszins misleidend. Het rijtuig is namelijk gemaakt van Javaans teakhout. Dit hout is deels beschilderd, deels verguld met bladgoud. Aan dit bladgoud heeft de koets zijn naam te danken. Bij het vervaardigen van de koets is er bewust naar gestreefd zoveel mogelijk materialen te gebruiken uit het toenmalige Koninkrijk der Nederlanden. Zo is in de koets vlas verwerkt uit Zeeland, leer uit Brabant en ivoor uit Sumatra.
De versiering
De versiering van de koets is uitgevoerd in Hollandse renaissancestijl, de stijl van de Gouden Eeuw. Aan Van de Waay, hoogleraar aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten, werd het schilderwerk opgedragen. Van den Bossche en Crevels initialen ontwierpen de beeldgroepen. In de afbeelding van allerlei planten, dieren en figuren uit de Oudheid en uit legenden, moest symbolisch en allegorisch worden uitgedrukt wat het Nederlandse volk zijn Koningin aan goede wensen en zegenbeden mee wilde geven. Het geheel moest wel harmonieus zijn. Ieder onderdeel moest passen bij de rest en toch een eigen boodschap overbrengen.
Op de naven van de assen staan geschilderde zonnen die het "mild
schijnende koningschap" uitbeelden. De spaken "schieten" als
stralen naar de velgen, die het firmament voorstellen. In dit
firmament zijn de tekens van de dierenriem te zien. De scharnieren
en deursloten van de koets zijn versierd met motieven van de hond
en de uil, symbolen voor trouw en waakzaamheid. Op de treden zijn
waterlelies geschilderd, een symbool van voorzichtigheid. De
zwemvogels die de bok schragen, stellen de snelheid voor.
De vier panelen van het rijtuig zijn gesierd met schilderingen: op
de voorzijde, die de toekomst symboliseert, staat rechts een
voorstelling van "het onderwijs aan het volk" en links "het recht,
dat diegenen uit het volk beschermt, die hulp behoeven: een
gekwetste arbeider, een blinde grijsaard, een weduwe en wezen". De
hoop op verbetering van de toen niet al te beste sociale
voorzieningen is duidelijk aanwezig. Onder deze voorstelling is in
een bas-reliëf de "levensverzekering" weergegeven.
De schildering op de rechterzijde van de koets stelt voor de
"hulde van Nederland" en die op de linkerzijde de "hulde der
koloniën". Op de achterzijde van de koets vereeuwigt de "Muze der
Historie" in het "Boek van de Tijd" de volkshulde bij de
inhuldiging van koningin Wilhelmina. Op de achtergrond van deze
voorstelling is een gezicht op Amsterdam met het Paleis op de Dam
en de Nieuwe Kerk geschilderd met in de verte scheepvaart op het IJ
en de Amstel.
Op het dak van de koets is een beeldengroep te zien die de
welvaart voorstelt. De vier sectoren van de economie schragen de
kroon, de scepter en het rijkszwaard, die bovenop een kussen
liggen. De handel wordt gesymboliseerd door een staf en een leeuw.
De arbeid - met hamer - draagt een salamander als symbool van het
vuur. De landbouw wordt verbeeld door een korenschoof en een
sikkel, de veeteelt door een schaap. De symbolen van de scheepvaart
zijn de sextant en de dolfijn. Om de vier hoeken van de bovenrand
staan kinderfiguurtjes, die de Koninklijke wapens met lauweren
omkransen. Cherubijntjes vlechten boven de portieren zegekransen om
de Koninklijke initialen.
De kroonlijst vertoont de wapens van de toenmalige elf
provincies. Als trotse schenker van de koets liet Amsterdam het
wapen van Noord-Holland - evenals het wapen van Amsterdam zelf -
iets groter uitvoeren dan die van de andere provincies.
De lijst wordt op de hoeken ondersteund door vier legendarische
figuren. In hun handen dragen zij lantaarns. Deze lantaarns, met
bovenop de Koninklijke kroon, werden zo ontworpen, dat ze,
uitzonderlijk in die tijd, ook gebruikt konden worden voor
elektrische verlichting.
Onder de ramen van de koets loopt een fries, waarin in reliëf
zijn gesymboliseerd: godsdienst, leger, recht, kunst, wetenschap en
arbeid.
De Gouden Koets is versierd met hoorns van overvloed, narren met
in hun handen ivoren handvatten, leliën en rozen - symbolen voor de
trouw -, en een cartouche met het jaartal 1898.
De binnenzijde
De binnenbekleding van de koets is geheel met de hand
geborduurd. Vijftien miljoen steekjes waren nodig voor een
ivoorkleurig fond met oranjebloesem en cherubijntjes. Het plafond
is in vlakken verdeeld, waardoor zoveel mogelijk vrouwen de
gelegenheid kregen aan de koets mee te werken. De vakken worden
afgesloten met vergulde bogen, die zich in het midden samenvoegen
en de in lauweren gevatte initialen van Koningin Wilhelmina vormen.
Deze initialen worden beschenen door een matgouden zon. De
zijwanden zijn geborduurd met de wapens van de provincies, het
rijkswapen en twee Amsterdamse wapens: het oude wapen, vastgesteld
in 1816, en het wapen uit 1898.
Het tapijt op de vloer is versierd met tulpen, narcissen en
hyacinten om het met Nederlandse bloemen bestrooide levenspad van
de Koningin te symboliseren. Ondanks de grote hoeveelheid figuren,
dieren, bloemen en kleuren, maakt de koets geen "rommelige" indruk.
Door de zo strak mogelijk gehouden lijnen, het egale gouden fond,
de tere kleuren en de lichte beschildering heeft de koets een grote
harmonie verkregen.
De bespanning
De Gouden Koets is bestemd om door acht paarden te worden getrokken, vandaar de bijzondere hoogte van de bok. De koetsier moet immers het gehele span kunnen overzien. Op het voorste paard zit een postiljon.
Gebruik op Prinsjesdag
Pas ter gelegenheid van het huwelijk van Koningin Wilhelmina en
Prins Hendrik, op 7 februari 1901, werd de koets van stal gehaald.
In 1903 werd de Gouden Koets voor de eerste maal gebruikt om de
Koningin en Prins op Prinsjesdag naar het Binnenhof te rijden. Een
vaste gewoonte werd hiermee ingeluid, al is de koets lang niet
ieder jaar op Prinsjesdag gebruikt. Bevreesd als men was de koets
te beschadigen, werd aanvankelijk bij slecht weer de Glazen Koets
gebruikt in plaats van de Gouden Koets.
Ook in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog werd de Gouden
Koets niet bij de opening van de Staten-Generaal gebruikt. Koningin
Wilhelmina verkoos in deze jaren van soberheid en schaarste een
auto. Koningin Juliana herstelde na haar inhuldiging in 1948 de
traditie om in de Gouden Koets naar het Binnenhof te rijden. Deze
traditie werd nadien nog éénmaal onderbroken en wel in 1974. Naar
aanleiding van de gijzeling in de Franse ambassade - vlakbij het
Binnenhof in Den Haag - werd het toen passender gevonden auto´s te
gebruiken.
Tentoonstelling
De Gouden Koets staat vrijwel het gehele jaar in de Koninklijke Stallen achter het Paleis Noordeinde in Den Haag. Alleen op Prinsjesdag gaat het rijtuig naar buiten voor een tocht van enkele kilometers naar het Binnenhof en weer terug. Slechts bij hoge uitzondering bestaat de mogelijkheid de Gouden Koets van dichtbij te bekijken. De Gouden Koets was voor het laatst van dichtbij te bewonderen op de Tentoonstelling "Ja ik wil" in de Nieuwe Kerk in Amsterdam die plaatsvond van 17 november 2001 tot 20 januari 2002.