Toespraak van de Prins van Oranje tijdens Waterschapsdag 2012 te Den Haag

19 maart 2012

Voorzitter, excellenties, dames en heren, watervrienden!

Voor het eerst in vele jaren ben ik rond Wereldwaterdag in Nederland.
Met beide handen heb ik de gelegenheid aangegrepen om vandaag in uw midden te zijn.

Hier zijn is al prachtig.
Maar ik wil ook graag een actieve bijdrage leveren aan deze bijeenkomst.  
En u enkele dingen zeggen, nadrukkelijk als voorzitter van en dus ook namens de Adviescommissie Water.

Waterveiligheid is het fundament onder alles wat wij in dit land samen hebben opgebouwd en nog hopen op te bouwen.

U bent elke dag in touw om dat fundament sterk te houden en te voorkomen dat Nederland natte voeten krijgt.
Meestal buiten het zicht van de camera's.

Maar zodra er kelders onderlopen en zodra er water sijpelt door de dijk, is uw werk Opening Journaal.
We hebben het begin dit jaar gezien.
Beelden van die meneer in Dordrecht, met het klotsende water halverwege zijn raam, gingen de hele wereld over.
En heel Nederland leefde mee met de inwoners van Woltersum, in Groningen. De dijk langs het Eemskanaal dreigde het niet te houden. Nederland hield zijn adem in. Zou het goed gaan?
Het ging goed. Het systeem werkte.
In allerijl wordt de zwakke plek nu aangepakt.

Honderd procent veiligheid bestaat niet. Dat brengt een bijzondere verantwoordelijkheid met zich mee die we zorgvuldig moeten beleggen.
We zullen in ons land altijd rekening moeten houden met de dreiging van het water.
Ondergelopen kelders en verkeersoverlast zijn niet altijd te voorkomen.
Maar we willen wel het risico verkleinen op een overstroming met slachtoffers en grote economische schade.

Dat vereist: goede normen, een goed beheer en oog voor het onverhoopte geval dat het toch mis gaat.

De veiligheidsnormen die we nu hanteren, zijn ontleend aan het werk van de eerste Deltacommissie. Ze zijn dus meer dan een halve eeuw oud.
Dankzij de commissie-Becht en de commissie-Boertien zijn de normen enkele keren bijgesteld. Maar de basis van ons denken over veiligheidsnormen wortelt nog altijd in de jaren vijftig. Deze normen hebben er wel voor gezorgd dat we een hele veilige delta zijn geworden. Tegelijkertijd krijgen we steeds meer kennis over onze keringen.

Vanoudsher daarbij staat het denken in hoogte centraal.
Ofwel: het gevaar zit in hoogwater dat over de dijk stroomt.
Inmiddels weten we dat het gevaar lang niet altijd daar vandaan komt.
Sterker nog: meestal komt het gevaar van onderen, of van opzij.

In 1995 moesten 250.000 mensen en miljoenen stuks vee geëvacueerd worden uit het rivierengebied. De oorzaak was niet een extreme waterstand waarbij het water over de dijken dreigde te slaan. Het probleem was verweking van de grond die uiteindelijk tot het bezwijken van dijken zou kunnen leiden.

In de zomer van 2003 verschoof er een stuk van de veendijk bij Wilnis. Ook dat had niets te maken met hoogwater. Integendeel: de oorzaak was juist de aanhoudende droogte en de scheuren in de veendijk die daardoor ontstonden.
En begin dit jaar, bij Woltersum, kwam er ook geen water over de dijk heen. Er kwam wel water onder de dijk door. Het zogenoemde piping-effect.

De eerste Deltacommissie ging er nog vanuit dat deze andere faalfactoren samen ongeveer tien procent van het overstromingsrisico vormen.
We weten inmiddels dat dat aandeel veel hoger ligt.

Een reden om goed naar onze veiligheidsnormen te kijken en die waar nodig te actualiseren. Dat betekent nieuwe kennis verwerken, maar ook denken in termen van meerlaagsveiligheid.

Temeer daar er de afgelopen vijftig jaar miljoenen mensen achter de dijken zijn bijgekomen.
De economische waarde van infrastructuur, gebouwen en bedrijven is enorm gegroeid.
Er staat dus nog heel veel meer op het spel dan vroeger.

Nederland heeft normen nodig die passen bij de 21ste eeuw. Normen waarin onze huidige kennis volop tot haar recht komt.
Het is goed dat nu het voorbereidende werk wordt verricht om daarover goed onderbouwde beslissingen te kunnen nemen. Velen van u zijn daarbij betrokken door de uitwerking van de strategie voor waterveiligheid in het Deltaprogramma. Daarbij gaat het om water èn ruimtelijke ordening èn het voorbereid zijn op calamiteiten.
Belangrijk uitgangspunt voor de Adviescommisie Water is dat alle gebieden in Nederland tenminste even veilig blijven als nu.

Preventie van grootschalige overstromingen is en blijft de basis van ons denken over veiligheid.
Ik merk dat men in het buitenland met grote interesse volgt hoe wij dat aanpakken.
Dat geldt ook voor de manier waarop wij het water de ruimte geven in ons land.
Ik denk aan een project als de Hondsbroeksche Pleij, dat eerder dit jaar gereed kwam. Een onderdeel van Ruimte voor de Rivier.
Het kan bijna niet anders of er zijn mensen in ons midden die daarbij betrokken zijn geweest. Steek uw hand eens op....
U hoeft niet verlegen te zijn....Het is een prachtproject!
Gefeliciteerd!

Ik kan me nog goed herinneren dat ik twee jaar geleden bij Westervoort met een aantal bewoners over de dijk fietste. Het werk was toen in volle gang. De dijk werd landinwaarts verlegd. Er werd een hoogwatergeul gegraven. Woningen moesten worden verplaatst. Dat grijpt behoorlijk in in het leven van mensen.

En toch krijgen we dat in Nederland samen voor elkaar. Op een manier die zoveel mogelijk recht doet aan alle belangen. Ik ben daar trots op.

"Een volk dat leeft, bouwt aan zijn toekomst" staat op het herinneringssreliëf op de Afsluitdijk.
Bij het bouwen aan de toekomst is het zaak de goede balans te vinden tussen traditie en vernieuwing.
Uit gemakzucht blijven hangen in oude structuren en gewoonten is niet goed.
Verworvenheden in de waagschaal stellen voor een ongewis avontuur, evenmin.
Helemaal niet als het gaat om zoiets fundamenteels als onze veiligheid.

Daarom is het goed ons rekenschap te geven van de betekenis van de waterschappen in onze samenleving.

De waterschappen hebben bij wet een eigen bevoegdheid om belasting te heffen specifiek voor de financiering van onze veiligheid tegen het water.
Dat fundamentele belang hoeft dus niet te worden afgewogen tegen andere doelen. En kan dus ook nooit in het gedrang komen. Ook niet als de maatschappelijke of politieke belangstelling ervoor tijdelijk wat minder is.

Dat is een groot goed.

De waterschappen voeren het beleid voor waterveiligheid uit.
Ze zijn niet verantwoordelijk voor de formulering ervan.
En ze staan bij de uitvoering van hun taken onder toezicht.
Beleid, uitvoering en toezicht zijn gescheiden.

Ook dat is iets om te koesteren. Het voorkomt een 'pettenprobleem'. Het voorkomt dat 'slagers hun eigen vlees moeten keuren'. Het legt een basis voor vertrouwen.

Toen ik werd geboren, telde Nederland nog meer dan 1000 waterschappen. Inmiddels zijn het er 26. En wellicht worden het er in de toekomst nog minder.
Maar bij al die reorganisaties is één grondslag gerespecteerd: waterschappen zijn ingedeeld naar stroomgebieden en watersystemen.
Het watersysteem bepaalt de bestuurlijke ordening, en niet andersom...

...een poging die overigens weinig kans van slagen zou hebben. Het water laat zich soms wel leiden, maar het laat zich nooit dwingen.

Waterproblemen houden zich niet aan de bestuurlijke grenzen van provincies en gemeenten. Het is een verworvenheid dat we dat in Nederland beseffen. En dat we in onze bestuurlijke organisatie luisteren naar de stem van het water door het een herkenbare en krachtige positie te geven.

En dan is er nog iets.
900 jaar geleden werkten buurtschappen in onze delta al samen aan goed waterbeheer. Solidariteit in de praktijk.
Het eerste waterschap ontstond ruim 750 jaar geleden, op initiatief van graaf Willem II van Holland.
In al die eeuwen is een schat aan ervaring en kennis opgedaan.
Kennis die continu wordt uitgebreid, getoetst en vernieuwd.

Die vernieuwing moet met volle kracht dóórgaan.
Het kan altijd doelmatiger en beter.
Een verbeterde samenwerking met rijk, gemeenten en waterleidingbedrijven belooft veel goeds. Daar bent u verantwoordelijk voor.
Maar laten we wel zuinig zijn op onze verworvenheden en onze waterschappen.
Laten we het kind niet met het badwater weggooien.

In 2010 was ik op bezoek bij onze mannen en vrouwen in Uruzgan.
Daar maakte ik een watershura mee.
Dat is een overleg over waterzaken.
Aanwezig was een aantal mirabs. Dat betekent: watermeesters. Dijkgraven eigenlijk.

Mirabs worden gekozen door de dorpsgemeenschappen in een stroomgebied. Ze zien toe op de verdeling van het water en op de aanleg van kanaaltjes.

We zaten met gekruiste benen op een Afghaans tapijt. In het midden stonden kannen thee.
Om me heen wijze mannen met tulbanden en baarden. Met ernstige gezichten.

In Afghanistan is water net zo'n belangrijk issue als in Nederland. Net als bij ons gaat het om vitale belangen.
Alleen draait alles daar om gebrek aan water. En om een eerlijke verdeling van de schaarse voorraden.

Het trof me dat in een land waar zoveel kapot is gemaakt en waar het bestuur zo kwetsbaar is, juist dit eeuwenoude mirab-systeem is blijven functioneren.
De Afghanen beseffen hoe essentieel goed waterbeheer is voor het leven zelf.

Ik moest daar, op dat rode tapijt, onwillekeurig denken aan ons hier in Nederland.
Aan hoe wij hier al 900 jaar de koppen bij elkaar steken en vruchtbaar samenwerken.
Luisterend naar het water.
Het water dat fluistert.
Het water dat ruist en bruist.
Het water dat beukt en buldert.

Ik wens u ook komend jaar weer een dijk van een succes met uw werk!