Toespraak van Prinses Máxima op het Congres ‘Samenwerken aan Internationale Voedselstabiliteit’, Ridderzaal te Den Haag

1 november 2012

Excellentie, geachte heer Moerland, dames en heren,

Ik vertel u geen nieuws als ik zeg dat de wereldbevolking groeit, en dat al deze mensen steeds meer eiwit nodig hebben.
Het zal u ook niet verrassen dat de wereld te kampen heeft met klimaatverandering.
En u weet hopelijk ook dat wereldwijd 180 miljoen kinderen jonger dan 5 jaar te weinig voedingstoffen krijgen ─ met als gevolg dat ze later een lager IQ hebben, wat ook nog eens 2 tot 3 procent BNP kost.

Dus is het geen verrassing als ik zeg dat boeren meer, beter en duurzamer moeten gaan produceren. En dat hun oogst beter moet worden verdeeld over de wereld.
Maar misschien verbaast u zich wel over het volgende. Hoewel boeren de wereld moeten voeden, kunnen zij in ontwikkelingslanden niet of nauwelijks terecht bij banken en verzekeraars.

Dus hebben boeren geen geld om de periode tussen zaaien en oogsten te overbruggen. Dus krijgen boeren geen kapitaal om hun bedrijf uit te breiden of duurzamer te werken. Dus zien boeren geen kans om nieuwe spullen te kopen, nieuwe landbouwmethoden te leren of een voorraad aan te leggen voor het moment dat marktprijzen stijgen. Dit moet anders. Anders komt voedselzekerheid nooit in zicht.

Gelukkig is er reden tot optimisme. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat Afrika een enorm landbouwpotentieel heeft. En dat potentieel is nog grotendeels onbenut.
Er kan niet alleen meer grond worden gebruikt voor landbouw, ook de opbrengst of het rendement kan veel hoger. 

Neem soja. In Afrika is het rendement ongeveer 32 procent, in Europa is dat 82 procent. Het rendement op soja kan in Afrika dus minstens worden verdubbeld. Natuurlijk kunnen de boeren het niet alleen. Voedselstabiliteit gaat over meer dan landbouw en veeteelt. Denk aan energie, denk aan infrastructuur, denk aan markttoegang. Maar het begint allemaal bij boeren. En daar is nog veel winst te halen ─ zeker nu de hele wereldgemeenschap eindelijk bezig is met voedselstabiliteit.

Een investering in de landbouw is een slimme investering. Volgens de International Finance Corporation werkt 1 euro geïnvesteerd in landbouw twee tot drie keer beter tegen armoede dan 1 euro geïnvesteerd in welke andere sector dan ook. Ik vind het dus fantastisch dat de Rabobank in zoveel landen zoveel doet voor de landbouw. Ik ben dan ook een groot voorstander van boerencoöperaties in ontwikkelingslanden ─ hoewel ze in Afrika vaak nog een slechte naam hebben.

Maar ik zou als pleitbezorger van inclusive finance geen knip voor de neus waard zijn als ik niets te wensen had. Dames en heren, drie dingen verdienen meer aandacht. Ten eerste: een boer is meer dan een ondernemer. Hij ─ of zij ─ is getrouwd. Heeft kinderen. Woont in een huis. Is zijn vrouw ziek, dan werkt hij minder. Kan hij geen geld opzij zetten, dan kunnen de kinderen niet naar school. Leeft hij in een bouwval, dan voelt hij zich niet goed en daalt zijn productiviteit. 

We helpen een boer in een ontwikkelingsland pas echt als we onze blik verruimen van zijn bedrijf naar zijn leven en zijn behoeftes. Vergelijk het met een tractor. Het heeft geen zin om er benzine in te gooien als er geen wielen onder zitten. Een boer heeft niet alleen behoefte aan krediet, hij heeft ook behoefte aan een spaar- en betaalrekening, een pensioenregeling, een zorgverzekering en alle andere diensten die hem helpen geld te verdienen, vermogen op te bouwen, geldstromen te beheren, te investeren in de toekomst en zich te beschermen tegen onverwachte tegenvallers. Net als wij. Net als iedereen.

Een tweede onderwerp dat meer aandacht verdient, dames en heren, is de rol van vrouwen en jongeren. Laat ik bij de vrouwen beginnen. We weten dat vooral vrouwen op het land werken. We weten ook dat als boerinnen in ontwikkelingslanden dezelfde toegang tot productiemiddelen zouden hebben als boeren, 100 tot 150 miljoen wereldbewoners minder honger zouden hebben. En we weten ook dat als de vrouw het geld verdient, de gevolgen voor haar kinderen het grootst zijn ─ zij zorgt voor een beter huis, zij geeft haar kinderen te eten, zij stuurt haar kinderen naar school. Met andere woorden: financiële producten speciaal voor vrouwen zijn hard nodig.

Dan over de rol van jongeren. Het aantal jongeren in Afrika bijvoorbeeld groeit enorm. Die kunnen niet allemaal werken in de stad ─ zoveel is duidelijk. Dus zullen we jongeren in Afrika enthousiast moeten maken voor de landbouw. En dat kan. Bijvoorbeeld door hen toegang te geven tot banken, verzekeraars en coöperaties.

Dames en heren, het derde en laatste onderwerp dat meer aandacht verdient is de rol van kleine boeren in ontwikkelingslanden ─ de zogenaamde smallholders. Te lang en te vaak zijn zij afgeschreven. Ze zouden te onbeduidend zijn voor een rol in de strijd tegen honger. Ze zouden te onnozel zijn om moderne landbouwmethoden te leren. Ze zouden te klein zijn voor een plaats in de zogenoemde waardeketen. Maar de realiteit is dat we de kleine boeren keihard nodig hebben in onze strijd voor meer voedselzekerheid.

Waarom? Omdat kleine boeren ongeveer 50 procent van alle bestaande landbouwgrond bewerken. Omdat bij kleine boeren misschien wel de hoogste efficiencywinst te halen valt. En omdat kleine boeren nu nog meer voedsel kopen dan ze verkopen: als hun productiviteit stijgt, groeit ook de voedselzekerheid. Hun eigen voedselzekerheid.

Maar er is nog een reden om meer aandacht te besteden aan kleine boeren. Onderzoek van de Wereldbank laat zien dat kleine boeren bepaalde gewassen efficiënter kunnen verbouwen dan grote boeren. Big is dus niet altijd beautiful.

Dames en heren, ik vraag dus meer aandacht voor kleine boeren, voor vrouwen en jongeren, en voor de mens achter de boer. Maar als gezegd: ik prijs de Rabobank en al die anderen voor hun goede werk. Dat werk blijft hard nodig.

Maar laten we niet vergeten dat slechts 2 procent van de volwassenen in deze landen een zorgverzekering heeft. Dat maar 6 procent van de boeren zich heeft verzekerd tegen een slechte oogst. Dat in rijke landen 89 procent van de volwassenen een bankrekening heeft, tegen niet meer dan 41 procent in ontwikkelingslanden ─ om van het percentage in de allerarmste landen nog maar te zwijgen.

Maar getallen zeggen minder dan verhalen. Daarom nu een verhaal. In Rwanda sprak ik eens een boer die met een microkrediet een koe had kunnen kopen. Hij was een klant van de Banque Populaire. Zijn leven is daarna veel beter geworden. Hij kon zijn gezin te eten geven. Hij kon een eigen huis bouwen. Hij kon zijn kind laten studeren op de universiteit. Ik vroeg hem of hij verder nog wensen had. 
En hij zei: 'Blijf in mij geloven, dat is alles wat ik wil.' 

Geloven in boeren in ontwikkelingslanden ─ dat was, is en blijft onze opdracht. 

Dank u wel.