Het Civiele Huis en het Militaire Huis

De Dienst van het Koninklijk Huis (DKH) bestaat uit het Civiele Huis en het Militaire Huis.

Civiele Huis

Het Civiele Huis is de verzamelnaam voor het niet-militaire deel van de hofhouding. Het Civiele Huis wordt geleid door de Grootmeester en bestaat uit meerdere diensten, bureaus en adviseurs.

Militaire Huis

Als deel van de Dienst van het Koninklijk Huis draagt het Militaire Huis bij aan ondersteuning van het Staatshoofd en de overige leden van het Koninklijk Huis bij de uitvoering van hun taken, rollen, activiteiten en dagelijkse werkzaamheden.

Leden van het Militaire Huis organiseren deels en coördineren de uitvoering van evenementen voor Zijne Majesteit de Koning en overige leden van het Koninklijk Huis en verrichten diensten ten behoeve van en namens Zijne Majesteit de Koning. De Chef van het Militaire Huis coördineert de veiligheidsaspecten rondom het Koninklijk Huis, coördineert het militair ceremonieel aan het hof en onderhoudt de (niet-politieke) contacten tussen het hof en Defensie.

De Hofhouding

De hofhouding heeft ongeveer 50 leden. Deze leden zijn verdeeld over het Civiele Huis en het Militaire Huis. De term 'Huis' komt uit Artikel 41 van de Grondwet. Daarin staat: "De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in".

De leden van de hofhouding worden officieel bij Koninklijk Beschikking benoemd. Vaak krijgen de leden van de hofhouding die hun functie neerleggen een benoeming in de honoraire hofhouding. Zij zijn af en toe inzetbaar bij grote evenementen en bijzondere gebeurtenissen.

Geschiedenis van de hofhouding

Vroeger was lid zijn van de hofhouding vooral een erefunctie. Leden uit adellijke of gegoede families werden benoemd in functies, die vaak generaties in de familie bleven. Behalve de Koning hadden ook andere leden van het Koninklijk Huis vaak de beschikking over een eigen hofhouding. Onder Koning Willem II werd binnen de hofhouding het onderscheid tussen het Civiele Huis en Militaire Huis ingevoerd. Koning Willem III heeft dat onderscheid kort na zijn troonsbestijging in 1849 formeel bekrachtigd. Hij was ook de eerste Koning die in 1868 een Grootmeester benoemde.