Hare Majesteit de Koningin verricht vrijdagmiddag 14 april in het Rijksmuseum te Amsterdam de opening van de tentoonstelling De Glorie van de Gouden Eeuw. De tentoonstelling, een overzicht van topstukken uit de Nederlandse schilder-, teken- en beeldhouwkunst en kunstnijverheid van de zeventiende eeuw, is het hoogtepunt van de viering van het 200-jarig bestaan van het Rijksmuseum.

In twee eeuwen ontwikkelde het Rijksmuseum zich tot een van de toonaangevende musea in de wereld. Het museum was aanvankelijk gehuisvest in een vleugel van Huis ten Bosch in Den Haag. Later verhuisde het naar het Paleis op de Dam en vervolgens naar het Trippenhuis te Amsterdam. De groeiende verzamelingen en de toenemende interesse voor het verleden leidden in 1885 tot de bouw van de huidige 'nationale schatkamer' van architect Cuypers.

Nederlandse kunst uit de zeventiende eeuw is altijd populair geweest bij vorsten, verzamelaars en musea. Alle grote musea in de wereld hebben afdelingen met Nederlandse kunst. Voor deze overzichtstentoonstelling betrok het Rijksmuseum meesterwerken uit openbare en particuliere collecties over de gehele wereld. Op de expositie zijn 23 werken van Rembrandt, drie van Vermeer en werken van een groot aantal andere beroemde Nederlandse kunstenaars te zien.

De restauratie van twee belangrijke monumentale kunstwerken - het grafmonument van Willem de Zwijger in de Nieuwe Kerk te Delft en de Oranjezaal in paleis Huis ten Bosch - maakte het mogelijk onderdelen hiervan in de tentoonstelling op te nemen. Het zijn twee door Hendrick de Keyser vervaardigde beelden van het grafmonument, en een groot schoorsteenstuk van Cesar van Everdingen, de Allegorie op de geboorte van Frederik Hendrik, uit Huis ten Bosch.

Het Rijksmuseum organiseerde eerder grote overzichtstentoonstellingen over voorafgaande perioden, zoals Kunst voor de Beeldenstorm (1985) en De Dageraad der Gouden Eeuw (1993).