De Grondwet bepaalt in artikel 40 dat de Koning een uitkering van de Staat ontvangt. De Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis (WFSKH) werkt deze bepaling in de Grondwet verder uit. De wet regelt de uitkering voor de Koning, zijn opvolger (als deze meerderjarig is) en de Koning die afstand heeft gedaan van het Koningschap. Ook hun echtgenoten (of weduwen/weduwnaars) krijgen een uitkering. Op dit moment ontvangen Koning Willem-Alexander, Koningin Máxima, de Prinses van Oranje en Prinses Beatrix een grondwettelijke uitkering.
De uitkering die zij krijgen bestaat uit een inkomensdeel (A-component) en een component voor personele en materiële uitgaven (B-component).
De Prinses van Oranje heeft besloten dat zij tot het einde van haar studie de A-component terug zal storten, waarna het zal worden toegevoegd aan de algemene middelen. Met andere woorden: het gaat terug naar de staatskas.
De WFSKH bepaalt ook dat de personele en materiële kosten van het koningschap door het Rijk worden betaald. Dat zijn bijvoorbeeld kosten voor het personeel en het wagenpark van de Dienst van het Koninklijk Huis.
De uitwerking van deze bepalingen in de Grondwet en de WFSKH vindt jaarlijks plaats via de begroting van de Koning. De begroting van de Koning bevat de verwachte uitgaven voor de uitoefening van het koningschap. Deze uitgaven zijn opgenomen in drie artikelen:
In artikel 1 van de begroting van de Koning staan de uitkeringen aan de leden van het Koninklijk Huis. De Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis (WFSKH) stelt vast dat de Koning, zijn opvolger (als deze meerderjarig is), de afgetreden Koning en hun echtgenoten (of weduwen/weduwnaars), een uitkering ontvangen van de Staat. Ook schrijft de WFSKH voor om welke bedragen het gaat en hoe deze worden geïndexeerd, dat wil zeggen hoe deze worden aangepast aan bijvoorbeeld de ontwikkeling van lonen of prijzen.
Momenteel ontvangen Koning Willem-Alexander, Koningin Máxima, de Prinses van Oranje en Prinses Beatrix een grondwettelijke uitkering.
De uitkering die zij krijgen bestaat uit een inkomensdeel (A-component) en een deel voor personele en materiële uitgaven (B-component).
De Prinses van Oranje heeft besloten dat zij tot het einde van haar studie het inkomensdeel (de A-component) terug zal storten, waarna het zal worden toegevoegd aan de algemene middelen. Met andere woorden: het gaat terug naar de staatskas.
Andere leden van het Koninklijk Huis ontvangen geen uitkering van de Staat.
Voor 2026 worden de volgende bedragen geraamd:
| Grondwettelijke uitkering aan: (bedragen x € 1.000) | A. Inkomen | B. Personele en materiële uitgaven | Totaal |
|---|---|---|---|
| De Koning | 1.163 |
6.180 | 7.343 |
| De echtgenote van de Koning | 461 | 804 | 1.265 |
| De vermoedelijke opvolger van de Koning | 345 | 1.633 | 1.978 |
| De Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap | 658 | 1.327 | 1.985 |
| Totaal | 2.627 | 9.944 | 12.571 |
A-component
De grondwettelijke uitkeringen aan de leden van het Koninklijk Huis bestaan uit een A- en een B-component. De A-component is het inkomen. Het inkomen volgt de ontwikkeling van het netto-inkomen van de vicepresident van de Raad van State. Dat inkomen volgt weer de ontwikkeling van de salarissen van de rijksambtenaren.
Voor de uitkeringen geldt dus dat de uitkeringsgerechtigde leden van het Koninklijk Huis de ontwikkeling van het salaris van rijksambtenaren volgen; als er een nullijn is voor de rijksambtenaren geldt deze ook voor de uitkeringsgerechtigde leden van het Koninklijk Huis en als de inkomens voor de rijksambtenaren stijgen, dan stijgen de uitkeringen van de leden van het Koninklijk Huis mee.
B-component
De B-component bestaat uit personele en materiële uitgaven. De personele uitgaven zijn met name de uitgaven voor de hofhouding en een aantal andere personeelsleden die rechtstreeks werkzaam zijn voor de uitkeringsgerechtigde leden. De materiële uitgaven hebben betrekking op activiteiten met een hoog representatief karakter die samenhangen met het Koningschap.
De B-component van de uitkering volgt voor de ene helft de ontwikkeling van het salaris van rijksambtenaren. Voor de andere helft volgt de uitkering de ontwikkeling van de prijzen.
Hoe wordt de hoogte van de uitkering bepaald?
Bij de invoering van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis (WFSKH) in 1972 is voor de uitkering een beginpunt van 500.000 gulden gekozen. In de loop der tijd is het bedrag aangepast aan de lonen en prijzen. De laatste aanpassing van de WFSKH vond plaats in 2008, waarbij onder andere de bedragen van de wettelijke uitkeringen werden geactualiseerd en het systeem van uitkeringen werd vereenvoudigd. De aanpassingen werden gedaan op de manier die in de WFSKH is vastgelegd.
De A-component bestaat uit het inkomen. Het inkomen volgt de ontwikkeling van het netto-inkomen van de vicepresident van de Raad van State. Dat inkomen volgt weer de salarisontwikkeling van de rijksambtenaren. De B-component bestaat uit personele en materiële uitgaven. De B-component loopt voor de ene helft gelijk aan de salarisontwikkeling van de rijksambtenaren. De andere helft volgt de ontwikkeling van de prijzen.
De hoogte van de uitkering en de manier waarop deze de lonen en prijzen volgt, is vastgelegd in de wet om voor lange tijd duidelijkheid te hebben.
Artikel 2 van de begroting van de Koning bevat de uitgaven die te maken hebben met de uitoefening van het koningschap en die gedaan worden door de Dienst van het Koninklijk Huis (DKH). Er zijn bedragen begroot voor de personele en materiële uitgaven van de DKH en de dotaties (toevoegingen) aan de bestemmingsreserves. Daarnaast zijn er ook bedragen begroot voor de uitgaven voor luchtvaartuigen en uitgaven voor reis- en verblijfkosten bij bezoeken aan het Caribische deel van het Koninkrijk.
De raming voor 2026 is als volgt:
| Raming over 2026 | Bedragen x € 1.000 |
|---|---|
|
Personeel Dienst van het Koninklijk Huis | 23.832 |
| Materieel Dienst van het Koninklijk Huis |
12.874 |
| Dotaties bestemmingsreserves | 3.100 |
| Totaal | 39.806 |
Personeel Dienst van het Koninklijk Huis
De uitgaven voor het personeel worden begroot op 23,8 miljoen euro.
De personele uitgaven zijn voor de personeelsinzet bij de verschillende afdelingen binnen de Dienst van het Koninklijk Huis, zoals het departement van de Hofmaarschalk, de Koninklijke Verzamelingen en het Koninklijk Staldepartement en de personeelsinzet bij paleizen die door de staat aan de Koning ter beschikking zijn gesteld. Personeelsleden die rechtstreeks voor de Koning, Koningin Máxima en Prinses Beatrix werken vallen hier buiten. Zij worden uit de B-component van de uitkering betaald.
Materieel Dienst van het Koninklijk Huis
Voor materiële uitgaven van DKH wordt een bedrag van € 12,9 miljoen begroot. De materiële uitgaven hebben betrekking op uitgaven voor de diverse hofdepartementen, uitgaven voor faunabeheer (€ 303.000), uitgaven voor bezoeken aan het Caribische deel van het Koninkrijk (€ 150.000) en uitgaven voor luchtvaartuigen (€ 880.000).
Onder de materiële uitgaven vallen verder onder andere uitgaven voor de voertuigen die door het Koninklijk Staldepartement worden beheerd, zoals de auto’s, paarden en rijtuigen en uitgaven voor de gebruikskosten (inclusief verwarming en verlichting) van Paleis Huis ten Bosch, Paleis Noordeinde en het Koninklijk Paleis Amsterdam. Daarnaast zijn dit de uitgaven voor ICT, accountantscontrole, advisering, beveiligingsvoorzieningen en facilitaire zaken.
Personele en materiële uitgaven faunabeheer
Ook de personele en materiële uitgaven van het Koninklijk Departement Faunabeheer behoren tot de functionele uitgaven van de Koning.
De materiële uitgaven van het Departement Faunabeheer bestaan uit infrastructurele kosten voor onderhoud van wegen en wildrasters van Kroondomein het Loo, kosten voor exploitatie van terreinauto’s en kosten voor materiële personeelsuitgaven zoals reiskosten en opleidingen (totaal € 303.000).
Uitgaven voor luchtvaartuigen
In de vliegregeling van 1980 is bepaald dat de Koning en de echtgenote van de Koning voor al hun vluchten gebruik kunnen maken van het regeringsvliegtuig, inhuur van civiele luchtvaartuigen of luchtvaartuigen van de krijgsmacht. Zij vliegen altijd in het openbaar belang. De Prinses van Oranje kan gebruik maken van het regeringsvliegtuig wanneer de vlucht onderdeel is van een reis uit oriënterend oogpunt in het licht van haar toekomstige functie.
Bij de troonswisseling in 2013 is de vliegregeling aangepast. De gewijzigde regeling bepaalt dat Prinses Beatrix, als voormalig staatshoofd, gebruik kan maken van deze luchtvaartuigen als dat doelmatig is of vanwege de veiligheid of privacy.
Voor 2026 zijn de volgende uitgaven geraamd:
| Raming over 2026 (bedragen in euro) | Bedrag |
|---|---|
| Inzet regeringsvliegtuig | 575.000 |
| Inzet Gulfstream KLu | 40.000 |
|
Inhuur civiele helikopters | 25.000 |
| Inhuur tickets/civiele vliegtuigen | 240.000 |
| Totaal | 880.000 |
Uitgaven voor bezoeken aan het Caribische deel van het Koninkrijk
Indien er uitgaven zullen zijn die samenhangen met bezoeken aan het Caribische deel van het Koninkrijk in de vorm van reis- en verblijfkosten (inclusief de vliegkosten) maken die ook deel uit van de functionele uitgaven en worden geschat op € 150.000.
Dotaties bestemmingsreserves
De Dienst van het Koninklijk Huis heeft bestemmingsreserves voor lange termijninvesteringen. Door te reserveren kan de Dienst van het Koninklijk Huis een planmatig financieel beleid voeren en incidentele hoge uitgaven bij langetermijninvesteringen voorkomen. Jaarlijks vinden dotaties (toevoegingen) aan en onttrekkingen van de bestemmingsreserves plaats. In 2026 is de verwachte dotatie 3,1 miljoen euro. De Dienst van het Koninklijk Huis heeft investeringsplannen voor de bestemmingsreserves. Ieder jaar vindt hierop controle plaats door een accountant. De Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer beoordelen deze controle.
In artikel 3 van de begroting van de Koning staan uitgaven die te maken hebben met het uitoefenen van het Koningschap, maar die niet via de Dienst van het Koninklijk Huis lopen. Het gaat hierbij om uitgaven door de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD), het Militaire Huis en het Kabinet van de Koning.
Deze uitgaven worden gedaan onder verantwoordelijkheid van de minister-president (RVD en Kabinet van de Koning) of minister van Defensie (Militaire Huis). Omdat ze gedaan worden voor de uitoefening van het Koningschap worden ze doorbelast naar de begroting van de Koning.
Voor 2026 gaat het om de volgende ramingen:
| Raming over 2026 | Bedragen x € 1.000 |
|---|---|
| Doorbelaste personele uitgaven |
6.867 |
| Doorbelaste materiële uitgaven | 1.548 |
| Totaal | 8.415* |
* Waarvan:
- Rijksvoorlichtingsdienst: 2.249
- Militaire Huis: 2.750
- Kabinet van de Koning: 3.416
Rijksvoorlichtingsdienst
De Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) is een onderdeel van het ministerie van Algemene Zaken. De RVD verzorgt de communicatie over de werkzaamheden van Koning Willem-Alexander, Koningin Máxima, de Prinses van Oranje en Prinses Beatrix en eventueel overige leden van het Koninklijk Huis. Daarnaast zorgt de RVD voor de mediabegeleiding tijdens hun publieke optredens (jaarlijks circa 300).
Bij deze communicatie houdt de RVD een goed evenwicht tussen tijdige en feitelijke voorlichting aan de ene kant en bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan de andere kant.
De RVD is ook verantwoordelijk voor de website over het Koninklijk Huis en de socialmediakanalen van het Koninklijk Huis. Onder verantwoordelijkheid van de minister-president kan de RVD namens de Koning en/of leden van de Koninklijke familie berichten over zaken die leden van de Koninklijke familie aangaan.
Voor 2026 is een bedrag van € 2,2 miljoen geraamd.
Militaire Huis
Het Militaire Huis (mede) organiseert en begeleidt de evenementen van de Koning en de andere leden van het Koninklijk Huis.
Ook coördineert het Militaire Huis de veiligheidsaspecten binnen de Dienst van het Koninklijk Huis (DKH) en namens DKH met externe partners in de veiligheidsketen. Verder onderhoudt het Militaire Huis de niet-politieke contacten tussen het Koninklijk Huis en het ministerie van Defensie en is het verantwoordelijk voor het militaire ceremonieel aan het hof. Voor 2026 is een bedrag van 2,8 miljoen euro geraamd.
Kabinet van de Koning
Het Kabinet van de Koning ondersteunt de Koning bij zijn taken die hij volgens de Grondwet heeft. De Koning is lid van de regering. Het Kabinet van de Koning draagt zorg voor het contact tussen de Koning en de overige leden van de regering en andere onderdelen van de overheid.
Het Kabinet van de Koning is ook verantwoordelijk voor de beantwoording van brieven van burgers en organisaties met verzoeken aan de Koning (verzoekschriften). Daarnaast zorgt het Kabinet voor het registreren, bewaren en overdragen van wetten, koninklijke besluiten en andere staatsstukken. Voor 2026 is een bedrag van 3,4 miljoen euro geraamd.
De totale uitgaven op de begroting van de Koning worden voor het jaar 2026 begroot op € 60.792.000. Het volgende overzicht laat alle bedragen zien (in miljoenen), die op de begroting van de Koning staan. In het onderste overzicht staan de bedragen uit andere begrotingen binnen de Rijksbegroting die met het Koningschap te maken hebben.
Infographic Begroting van de Koning 2026
Overzicht van alle bedragen (in miljoenen), die op de begroting van de Koning staan. In het onderste overzicht staan de bedragen uit andere begrotingen binnen de Rijksbegroting die met het Koningschap te maken hebben.
Beeld: © RVD
Begroting van de Koning 2026
Structureel (in miljoenen totaal).
Wegens afrondingen kunnen de totalen afwijken van de som der rubrieken
Cirkeldiagram: € 60,8 miljoen
Functionele uitgaven € 39,8 miljoen
- Personeel Dienst van het Koninklijk Huis € 23,8 miljoen
- Materieel van het Dienst Koninklijk Huis € 12,9 miljoen
- Luchtvaartuigen € 0,9 miljoen
- Materiële uitgaven faunabeheer € 0,3 miljoen
- Bezoeken Caribisch deel Koninkrijk € 0,2 miljoen
- Dotaties bestemmingsreserves € 3,1 miljoen
Uitkeringen leden Koninklijk Huis € 12,6 miljoen
Koning € 7,3 miljoen
- Feitelijk inkomen (A-component): € 1,2 miljoen
- Personele en materiële uitgaven (B-component): € 6,2 miljoen
Koningin Máxima € 1,3 miljoen
- Feitelijk inkomen (A-component): € 0,5 miljoen
- Personele en materiële uitgaven (B-component): € 0,8 miljoen
Prinses van Oranje € 2,0 miljoen*
- Feitelijk inkomen (A-component): € 0,3 miljoen
- Personele en materiële uitgaven (B-component): € 1,6 miljoen
*De Prinses van Oranje zal tot het einde van haar studie de A-component van haar grondwettelijke uitkering terugstorten, waarna het zal worden toegevoegd aan de algemene middelen.
Prinses Beatrix € 2,0 miljoen
- Feitelijk inkomen (A-component): € 0,7 miljoen
- Personele en materiële uitgaven (B-component): € 1,3 miljoen
Doorbelaste uitgaven € 8,4 miljoen
- Kabinet van de Koning € 3,4 miljoen
- Militaire Huis € 2,8 miljoen
- Rijksvoorlichtingsdienst € 2,2 miljoen
Andere begrotingen binnen de Rijksbegroting in relatie tot het Koningschap
Structureel (in miljoenen totaal).
Wegens afrondingen kunnen de totalen afwijken van de som der rubrieken
Cirkeldiagram: € 21,1 miljoen
- Ter beschikking stellen van paleizen/huisvesting (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening): € 18,5 miljoen
- Staatsbezoeken (Buitenlandse Zaken): € 2,5 miljoen
- De Groene Draeck (Defensie): € 0,09 miljoen
- Beveiliging (Justitie en Veiligheid en Defensie): VERTROUWELIJK. Er wordt geen informatie gegeven over de hoogte van beveiligingsuitgaven.
Kijk voor de begroting van de Koning op www.rijksfinancien.nl en voor een toelichting op de cijfers uit deze infographic op www.koninklijkhuis.nl/onderwerpen/financien-koninklijk-huis.