Ter beschikking gestelde paleizen

Volgens de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis (artikel 4)  zijn drie paleizen door de staat ter beschikking gesteld aan de Koning. Dit zijn Paleis Huis ten Bosch, Paleis Noordeinde en het Koninklijk Paleis Amsterdam.

De uitgaven voor het in stand houden van de paleizen zijn te vergelijken met uitgaven voor monumenten met een erfgoedfunctie en monumentale panden van het Rijk waarin Staatsinstellingen en delen van de Rijksoverheid gehuisvest zijn. De kosten van dit soort overheidsgebouwen staan op de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). Ook het onderhoud van de paleizen staat op deze begroting, net als bijvoorbeeld de gebouwen rond het Binnenhof  waaronder die van de Eerste en de Tweede Kamer). De uitgaven voor het gebruik van de paleizen (inclusief verwarming en verlichting) staan wel op de begroting van de Koning, als onderdeel van de materiële uitgaven van de Dienst van het Koninklijk Huis.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor aanpassingen en onderhoud aan de paleizen. Voor 2022 wordt op de begroting een bedrag van 16,0 miljoen euro geraamd voor het reguliere onderhoud (inclusief rente en afschrijving) aan de drie paleizen.

De uitgaven voor de paleizen zijn ook te vinden in de zogeheten extracomptabele bijlage van de begroting van de Koning. Hierdoor zijn de uitgaven voor het Koningschap die niet op de begroting van de Koning staan makkelijker en duidelijker terug te vinden.