Artikel 1: Grondwettelijke uitkeringen aan de leden van het Koninklijk Huis

In artikel 1 van de begroting van de Koning staan de uitkeringen aan de leden van het Koninklijk Huis. De Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis (WFSKH) stelt vast dat de Koning, zijn opvolger (als deze  meerderjarig is), de afgetreden Koning, en hun echtgenoten (of weduwen/weduwnaars), een uitkering ontvangen van de Staat. Ook schrijft de WFSKH voor om welke bedragen het gaat en hoe deze worden geïndexeerd, dat wil zeggen worden aangepast aan bijvoorbeeld de ontwikkeling van lonen of prijzen.

Momenteel ontvangen Koning Willem-Alexander, Koningin Máxima en Prinses Beatrix een grondwettelijke uitkering. Andere leden van het Koninklijk Huis ontvangen geen uitkering van de Staat.

Voor 2020 worden de volgende bedragen geraamd:

Grondwettelijke uitkering 2020
Grondwettelijke uitkering aan: (bedragen x € 1.000) A. Inkomen B. Personele en materiële uitgaven Totaal
De Koning 949

4.937

5.886
De echtgenote van de Koning 377 643 1020
De Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap 537 1.060 1.597
Totaal 1.863 6.640 8.503