Artikel 1: Grondwettelijke uitkeringen aan de leden van het Koninklijk Huis

In artikel 1 van de begroting van de Koning staan de uitkeringen aan de leden van het Koninklijk Huis. De Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis (WFSKH) stelt vast dat de Koning, zijn opvolger (als deze  meerderjarig is), de afgetreden Koning en hun echtgenoten (of weduwen/weduwnaars), een uitkering ontvangen van de Staat. Ook schrijft de WFSKH voor om welke bedragen het gaat en hoe deze worden geïndexeerd, dat wil zeggen hoe deze worden aangepast aan bijvoorbeeld de ontwikkeling van lonen of prijzen.

Momenteel ontvangen Koning Willem-Alexander, Koningin Máxima en Prinses Beatrix een grondwettelijke uitkering. Vanaf 7 december 2021 ontvangt ook de Prinses van Oranje een grondwettelijke uitkering. 

De uitkering die zij krijgen bestaat uit een inkomensdeel (A-component) en een component voor personele en materiële uitgaven (B-component). 
De Prinses van Oranje heeft besloten dat zij tot het einde van haar studie de A-component terug zal storten, waarna het zal worden toegevoegd aan de algemene middelen. Met andere woorden: het gaat terug naar de staatskas. De B-component (de onkostenvergoeding) zal zij tevens terugstorten, zolang zij geen hoge kosten zal maken in haar functie van beoogd troonopvolger. 

Andere leden van het Koninklijk Huis ontvangen geen uitkering van de Staat. 

Voor 2022 worden de volgende bedragen geraamd:

Grondwettelijke uitkering 2022
Grondwettelijke uitkering aan: (bedragen x € 1.000) A. Inkomen B. Personele en materiële uitgaven Totaal
De Koning 1.007

5.125

6.132
De echtgenote van de Koning 400 667 1.067
De Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap 569 1.100 1.669
De vermoedelijke opvolger van de Koning 299 1.354 1.653
Totaal 2.275 8.246 10.521